Diagnostiek bij niet-aangeboren hersenletsel

In februari 2015 is binnen Koninklijke Visio gestart met een nieuwe werkwijze voor diagnostiek bij cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Deze werkwijze wordt DiaNAH genoemd en is ontwikkeld door samenwerking van Koninklijke Visio en Bartiméus en de Rijksuniversiteit Groningen. Daarnaast vindt ook wetenschappelijk onderzoek plaats. Hieronder is informatie te vinden over de totstandkoming en inhoud van DiaNAH.
 

Op weg naar effectieve diagnostiek en revalidatie

Een groot deel van de cliënten met visuele stoornissen ten gevolgen van NAH blijkt hinder te ervaren van non-specifieke visuele klachten (NSVK). Dit blijkt onder andere uit het onderzoek ‘InZicht Hemianopsie’1. Het betreft klachten als wazig zien, een verminderd vermogen om contrasten waar te nemen, een veranderde lichtbehoefte of lichthinder. De precieze oorzaak van deze klachten is nog niet bekend. De meeste cliënten hebben een normale gezichtsscherpte. Hoewel non-specifieke visuele klachten bij NAH al eerder zijn beschreven, blijft onduidelijk hoe ze adequaat geobjectiveerd kunnen worden. In de praktijk blijkt dit niet te kunnen met een standaard visueel basisonderzoek. Het gevolg was dat diagnostiek en revalidatie tot voor kort door trial-and-error plaatsvonden. Richtlijnen en kennis ontbraken. De verwachting is dat DiaNAH voorziet in de noodzakelijke diagnostische methodes, onderbouwde interventies, en uitbreiding van kennis. Dit zal leiden tot een doelmatigere revalidatie en richtlijnen.


Diagnostiek en wetenschappelijk onderzoek

Gedurende twee jaren worden gegevens vergeleken van cliënten met NAH die deze NSVK ervaren met de gegevens van cliënten met NAH zonder deze klachten. Hierdoor identificeren we factoren die samenhangen met de ervaren klachten en die bijdragen aan een succesvolle revalidatie. Zo kunnen meer evidence-based methoden voor diagnostiek, advies en revalidatie worden ontwikkeld. Om deze doelen te bereiken is vaste werkwijze ontwikkeld waarmee NSVK worden onderzocht. Dit bestaat uit richtlijnen voor diagnostiek van non-specifieke visuele klachten met een visueel basis onderzoek en een lichtlabonderzoek. Ook is een gecomputeriseerde screening voor perceptiestoornissen ontwikkeld. Deze is te gebruiken in een screenend neuropsychologisch onderzoek. Cliënten merken niets van de wetenschappelijke component van DiaNAH. Dit omdat zij geen andere diagnostiek en revalidatie krijgen dan anders het geval was.
 

Gecomputeriseerde diagnostiek naar visuele perceptiestoornissen

Voor het screenend neuropsychologisch onderzoek is een testbatterij samengesteld. Hieraan hebben nationale en internationale experts op het gebied van visuele perceptie bijgedragen. Er is een testbatterij samengesteld waarover uiteindelijk 94% van het expert panel, 16 experts, overeenstemming bereikt. Deze testbatterij bestaat uit 11 verschillende, korte visuele perceptietests en is in 30 minuten af te nemen. De testbatterij bevat onder andere tests voor het screenen naar neglect, stoornissen in de objectperceptie en bewegingswaarneming. De tests worden afgenomen op een speciale 24” tablet-computer met software genaamd DiagnoseIS, ontwikkeld in samenwerking met Metrisquare B.V. Een voordeel van deze gecomputeriseerde tests is dat de scoring geautomatiseerd verloopt. Normatieve data zijn waar mogelijk gekoppeld aan de ruwe onderzoeksgegevens en er wordt snel een klinische rapportage gegenereerd. De testbatterij helpt bij het nemen van een beslissing of een individuele cliënt uitgebreid onderzoek naar visuele perceptie nodig heeft en zo ja, waar dat onderzoek zich moet richten. Op landelijk niveau helpt de tablet ons visuele stoornissen van mensen met NAH beter te begrijpen en te duiden. Zo wordt bijvoorbeeld onderzocht of de non-specifieke visuele klachten wellicht door perceptiestoornissen kunnen worden verklaard.
 

Eenduidige diagnostiek naar NSVK

Om non-specifieke visuele klachten te kunnen diagnosticeren zijn protocollen opgesteld. Deze zijn opgesteld door oogartsen, klinisch fysici en neuropsychologen van Koninklijke Visio en Bartiméus. Zij hebben geprobeerd om een richtlijn op te stellen die van klinische meerwaarde is. Bestaande klinische gegevens, eerder onderzoek en een eigen pilot vormen hiervoor de basis. Uit deze pilot bleek dat de standaardmetingen van het visueel basisonderzoek geen verklaring geven voor de non-specifieke visuele klachten. Aanvullend onderzoek in een lichtlab is daarom nodig. Dit heeft geresulteerd in het visueel basisonderzoek (VBO) DiaNAH en het lichtlabonderzoek DiaNAH. Het VBO DiaNAH is een uitbreiding op het reguliere VBO. Daarin zijn een aantal onderzoeken gericht op het uitsluiten van oogheelkundige oorzaken van de NSVK. Het lichtlabonderzoek is erop gericht het bereik te bepalen van verlichtingssterktes waarbinnen cliënten niet of nauwelijks subjectief hinder ervaren. Daarnaast worden de resultaten in het wetenschappelijk onderdeel gekoppeld aan de aangegeven klachten.
 

Welke plaats neemt DiaNAH binnen Visio?

Vanuit Koninklijke Visio bestond al langer de wens voor eenduidige werkwijzen. Met de DiaNAH diagnostiek krijgen cliënten de onderzoeken gebaseerd op de huidige best-practice. De resultaten uit de wetenschappelijke component van DiaNAH geven ons de mogelijkheid om de diagnostiek in de toekomst verder te onderbouwen en te optimaliseren. Alle cliënten die zich aanmelden bij Visio met NAH worden gescreend op NSKV. Dit begint bij het afnemen van een vragenlijst cerebrale visuele stoornissen (CVS). Deze vragenlijst brengt het visueel functioneren met betrekking tot mobiliteit en lezen in kaart. De vragenlijst is zo opgesteld dat ook non-specifieke visuele klachten gestructureerd worden uitgevraagd. De score op de CVS laat snel zien of er sprake is van NSVK en of een cliënt in aanmerking komt voor de DiaNAH onderzoeken. Wanneer er NSVK aanwezig zijn krijgen de cliënten het DiaNAH VBO en lichtlabonderzoek aangeboden. Als NSVK niet aanwezig zijn krijgen cliënten het reguliere VBO. Alle cliënten met NAH ontvangen in principe het screenende neuropsychologisch onderzoek met de tablet. Natuurlijk kan daar in individuele gevallen van worden afgeweken, bijvoorbeeld bij zeer lage visus of ernstige motorische problemen die het afnemen van neuropsychologische tests praktisch onmogelijk maken.

Referenties 1 De Haan, G., Heutink, J., Melis-Dankers, B. J., Brouwer, W. H., & Tucha, O. (2015). Difficulties in daily life reported by patients with homonymous visual field defects. Journal of Neuro-Ophthalmology, 35(3): p. 259-264.